|

Dat wat God in mij toont, versterkt mij
In deze schitterende zomer is het een luxe geweest om de adem
van leven in te ademen. Het gras groeit, de knoppen barsten open en
de weiden zijn bevlekt met vuur en goud in de tinten van de bloemen.
De lucht is gevuld met vogels en zoet met de adem van de den, het
balsem van Gilead en het nieuwe hooi. De nacht brengt geen mistroos-
tigheid naar het hart met zijn welkome schaduw. Door de transparante
duisternis gieten de sterren hun bijna spirituele stralen. De mens onder
hen is gelijk een jong kind en zijn gigantische globe een speeltje.
De koele nacht baadt de wereld als met een rivier en bereidt haar
ogen weer voor op de karmozijnrode dageraad. Het mysterie van de
natuur werd nooit eerder zo gelukkig weergegeven. Het maïs en de wijn
zijn vrijuit onder alle schepselen uitgedeeld en de nooit verbroken stilte
waarmee de oude vrijgevigheid voortgaat, is nog niet voor een woord
van uitleg gezwicht. Men is genoodzaakt om de volmaaktheid van deze
wereld, waarin onze zintuigen zich onderhouden, te respecteren.
Hoe wijd, hoe rijk; wat een uitnodiging vanuit elk stuk land geeft zij aan
elk vermogen van de mens! In haar vruchtbare aarde, haar navigeerbare zee,
in haar bergen van metaal en steen, in haar bebossing van alle wouden, in haar
dieren, in haar chemische ingrediënten, in de vermogens en haar baan van licht,
hitte, aantrekkingskracht en leven, is het wel degelijk het merg en het hart van
grootse mensen waard om zich aan haar te onderwerpen en van haar te genieten.
De planters, de werktuigkundigen, de uitvinders, de astronomen, de bouwers
van steden en de kapiteins die de geschiedenis zich verheugt te eren.
Maar wanneer de geest zich opent en de wetten openbaart die het
universum traverseren en de dingen maken zoals zij zijn, dan krimpt
de
grootse wereld ineens terug tot een illustratie en een verzinsel van zijn
geest.
Wat ben ik? En wat is dit? Vraagt de menselijke spirit met een nieuw ont-
vlamde, maar nooit bevredigde nieuwsgierigheid. Aanschouw deze
uiteen-
lopende wetten die ons onvolmaakte begrip op deze manier kan zien en op
die
manier, maar
niet volledig af kan ronden. Aanschouw deze oneindige
relaties, zo
gelijk, zo ongelijk, zo velen, doch één. Ik zal studeren, ik
zal weten, ik zal voor eeuwig aanbidden. Deze gedachtewerken
zijn in alle eeuwen de bezigheden van de geest geweest.
Een meer geheim en overweldigender schoonheid verschijnt aan
de mens wanneer zijn hart en zijn geest zich openen voor het sentiment
van deugdzaamheid. Dan wordt hij geïnstrueerd in wat zich boven hem be-
vindt. Hij leert dat zijn bestaan zonder beperking is, dat hij tot het goede,
het volmaakte is geboren. Zo laag als hij zich nu in kwaadaardigheid en
zwakte bevindt; dat wat hij vereert is nog steeds zijn eigen, alhoewel
hij het zich nog niet heeft gerealiseerd. Hij zou dat moeten doen.
Hij kent de betekenis van dat gewichtige woord, alhoewel zijn
analyseren geheel faalt het op te merken. In zijn onschuld, of door een
intellectuele waarneming verwerft hij te zeggen: “Ik houd van het Goede.
De Waarheid is prachtig vanbinnen en vanbuiten - voor eeuwig. Deugdzaam-
heid, ik ben de Uwe; verlos mij, gebruik mij, U zal ik dag en nacht dienen,
in het grote, in het kleine, opdat ik niet deugdzaam mag zijn maar deugd.”
Dan is het einde van de schepping beantwoord en God is oprecht blij.
De openingsregels van het ‘Divinity School Address’
|